Ter inleiding

Onze school wil een school zijn voor alle kinderen (van 4 t/m 12 jaar) uit het dorp en de nabije omgeving. In alles volgen de leerlingen van de school hetzelfde lesprogramma met respect voor de eigenheid van alle leerlingen.

Voor de school is educatie meer dan het geven van informatie of het trainen van vaardigheden. Wij kiezen voor een pedagogische insteek door ons te richten op humaniteit. Bij ons staat de vraag centraal hoe de school voor onze leerlingen kan bijdragen aan het realiseren van mens-zijn vandaag en voor de toekomst. Wij willen daarbij verantwoordelijkheid dragen voor onze leerlingen.

Een pedagogisch doel
Humaniteit richt zich op het mens-zijn (van onze leerlingen vandaag en voor de toekomst). Dat roept de vraag op wat kenmerkend voor een mens is. Deze vijf basiskenmerken (essentialia) zijn als volgt te benoemen (naar Lea Dasberg):
  • De mens is een talig wezen. Taal is het middel waarmee mensen elkaar bereiken. De diepste opvattingen kunnen onder woorden of in beeld gebracht worden. Taal kan de vorm krijgen van mondelinge of schriftelijke uitdrukkingswijzen (verhalen en vertellingen in soorten). Maar ook beelden kunnen taal zijn (een vignet, een foto, een beeld of schilderij). Ook moderne media kunnen de vorm van taal krijgen (telefoon, internet). Een mens zonder taal is een gemankeerd mens.

  • De mens heeft een kritisch vermogen. De mens is in staat zichzelf te positioneren in de omringende werkelijkheid, maar valt daarmee niet samen met de werkelijkheid. Hij/zij kan afstand nemen van hedendaagse gebeurtenissen en ontwikkelingen. Vanuit het kritisch vermogen worden vragen naar het waartoe en het waarom gesteld. De mens wil zijn omgeving veranderen (geneeskunde, biologie, genetica). De natuur zelf wordt onderzocht (natuurkunde, scheikunde) en soms geabstraheerd (wiskunde). De mens weet zich afhankelijk, maar wil ook onafhankelijk zijn ten opzichte van de omringende wereld. Daarbij wordt bedacht dat de mens plaatsgebonden is (aardrijkskunde, het Friese platteland), maar wel in een wereldwijd verband.

  • De mens heeft een collectief geheugen. De mens heeft niet alleen de eigen herinnering, maar deelt ook in het geheugen van de mensheid. De mens weet zich verbonden met zijn voorouders, maar is ook anders dan zijn verre voorouders. Juist dit ‘anders zijn’ betekent dat we steeds opnieuw keuzes moeten maken en niet ‘op de oude voet door kunnen leven’. Het anders zijn van het verleden verhindert een gemakkelijke annexatie van het verleden. Tegelijkertijd voorkomt die verbondenheid met het verleden, dat de mens ‘steeds opnieuw het wiel moet uitvinden’. De mens is dus naast plaatsgebonden ook tijdgebonden.

  • De mens is creatief. De mens is niet alleen werkmens, maar ook speelmens. Dat spelen kan in de vorm van schilderen, dansen, beeldhouwen, verhalen schrijven, toneelspelen, etc. Vanuit een creatieve drang, eigen aan ieder mens, geeft de mens vorm aan wat op hem afkomt. Daarom en daarmee treedt hij in contact met de medemens en zijn omgeving.

  • De mens is een moreel wezen. De mens heeft weet van goed en kwaad. Het collectieve geheugen vraagt een (moreel) oordeel uit te spreken over traditie. Dat oordeel is niet statisch, maar beweeglijk (voorbeeld bloedwraak, heksenvervolging, nationalisme). Het moreel oordeel heeft levensbeschouwelijke wortels. Soms verschillen die wortels, maar komen de oordelen overeen. Maar soms ook niet. De mens in zijn moreel oordeel moet leven met het ethisch dilemma; een verschijnsel is zelden goed of slecht. Meestal meer of minder goed, meer of minder slecht. Daartoe moet een mens kiezen, verantwoordelijkheid nemen. Op deze wijze kan vrijheid geschapen worden. Soms wordt een kritische opstelling gevraagd (dwarsligger zijn), soms een accepterende (meeloper zijn).

Deze vijf kenmerken van mens-zijn hebben gevolgen voor het inrichten van het curriculum (lessentabel). Welke vakken er verder gekozen worden, wordt bepaald door onderwijs wet – en regelgeving of misschien door wenselijkheden vanuit de samenleving. Maar een curriculum zonder de vijf elementen van mens-zijn is voor ons geen curriculum in menswording.
De methode Trefwoord

Waarom Trefwoord?
Trefwoord is een methode voor levensbeschouwelijke vorming in de basisschool en wil kinderen begeleiden en ondersteunen bij het verkennen, bewustmaken en verrijken van hun wereld. Tijdens deze levensoriëntatie komen ze allerlei vragen tegen, zoals: wat is eerlijk, wat heeft zin, waar is mijn overleden opa, wat betekent God voor mensen, waarom heeft niet iedereen genoeg te eten, waarom pesten mensen elkaar, enzovoort. Het zijn levensvragen van alle tijden waarop verhalen uit verschillende tradities (onder andere de joodse en christelijke traditie) in de loop der eeuwen ook een antwoord zochten. Deze en ook eigentijdse bronnen kunnen kinderen inspireren, aan het denken zetten om vervolgens er met elkaar in de klas op te reflecteren. Ze dagen hen uit om zelf keuzes te maken voor hun handelen. Dat geeft hun houvast, vertrouwen en perspectief, op weg naar de toekomst.

Wat is de inhoud?
Trefwoord werkt aan de hand van pedagogisch verantwoorde thema’s, die hun oorsprong vinden in een serie samenhangende Bijbelverhalen. Ze zijn voor ieder kind herkenbaar in zijn eigen werkelijkheid. De thema’s worden van verschillende kanten belicht, zodat allerlei ervaringen uit de wereld van kinderen een plek kunnen krijgen. Daardoor ontstaat er volop ruimte voor het oproepen van vragen en dilemma’s, reflecteren op het eigen handelen en het ontwikkelen van het kritisch vermogen. De ervaringen van kinderen krijgen betekenis.
Trefwoord kent een eigen thematisch driejarenrooster dat cyclisch van opbouw is. De meest geschikte Bijbelverhalen zijn over deze drie jaren verdeeld, onderscheiden in onder-, midden- en bovenbouw. Na afloop van de éne cyclus worden de verhalen in een nieuwe cyclus aangeboden bij een andere thematiek. Op deze manier ontdekken kinderen dat Bijbelverhalen ook verschillend geïnterpreteerd kunnen worden.

Hoe brengen we die in de klas?
De inhoud van de driewekelijkse thema’s wordt voornamelijk via het digitale schoolbord aangeboden. Het thema door een poster, de dagelijkse accenten door kalenderplaten. Deze beelden zijn het vertrekpunt voor het verkennen van een aspect van het thema. Dit dagelijks ritueel begint dus met een tekening, foto of rebus, dat bijvoorbeeld aanzet tot een gesprek of vragen oproept.
De verdiepende stof staat in de papieren handleiding voor de leerkracht en komt uit verschillende bronnen (Bijbel, sprookjes, fabels) maar ook uit eigen bronnen, zoals liedjes, gedichten, ervaringsverhalen. En daarbij worden gevarieerde, ook coöperatieve, werkvormen gebruikt (kringactiviteiten, interviews, zoekopdrachten, enzovoort). In een film interviewen we kinderen over een thema. En met een 'reportage op locatie' (exclusief voor Trefwoord gemaakt) betrekken we ook de wereld buiten de school erbij. Naast de liedjes zijn er ook andere geluidsfragmenten waarmee kinderen actief aan de slag kunnen gaan.